Per Olov Enquist groeit vaderloos op in een
streng religieus boerendorpje in de bossen
van Noord-Zweden. Als eerste kind uit zijn
dorp gaat hij naar de middelbare school en
naar de universiteit, waar hij zich ontpopt
als getalenteerd hoogspringer en schrijver.
Al snel breekt hij internationaal door en zijn
werk wordt bekroond met prestigieuze prijzen.
Maar dan loopt zijn huwelijk op de klippen
en vanwege zijn politieke uitspraken
wordt hem het leven zo zuur gemaakt, dat
hij emigreert. Hij zwerft door Europa terwijl
het overdonderende succes dat hem zoveel
faam bezorgde, hem steeds meer opbreekt.
Hij glijdt af naar een bestaan dat wordt gedomineerd
door drankmisbruik en andere
vormen van escapisme. Pas na zijn derde afkickpoging
lukt het hem te genezen. Hij
keert terug naar Zweden, schrijft een aantal
van zijn meest bejubelde romans, waaronder
Het bezoek van de lijfarts en Blanche en Marie, en begint een ander leven.
Vakkundig legt Enquist verbanden tussen
zijn werk en zijn leven, en met name zijn beschrijvingen
van het afkickproces maken een onuitwisbare indruk. Een ander leven is
een moedig en fascinerend boek dat leest
als een roman.
De tekenduider
De tekenen zijn heel vaag.
Iemand uit het dorp had het kind, bijna fluisterend, van de droom
verteld die Hugo Hedman in de winter van 1935 had gehad. In die
droom waren drie grote bomen omgevallen. Dennenbomen, maar
niet voor de kap. Een teken aan de wand. Die winter stierven er drie
mannen in het dorp. Die droom was een voorteken geweest. Een van de
mannen die stierf en wiens dood door de omvallende boom voorspeld
was, bleek d’n Elof te zijn. Het kind had later begrepen dat dat geen
‘dennenboom’ was, maar ‘zijn vader’, maar alles is even onduidelijk.
Tweede teken; zijn moeder is zwanger, van haar eniggeboren
zoon. In dezelfde tijd: een van zijn ooms, nog heel jong, wordt beschouwd
als ‘geestesziek’ en hij wordt een tijdje in het opkamertje
opgesloten, dat deed men toen. Omdat zijn moeder zwanger is, van
dát kind trouwens, mag ze hem niet bezoeken; een geheime straling
van de geesteszieke (‘hij is kierewiet’) zou het ongeboren kind in de
baarmoeder schade kunnen berokkenen. Een paar jaar later (misschien
in september 1939) vraagt hij of dat toch niet gebeurd is, wat
ontkent wordt, hij heeft geen schade opgelopen van de straling van
de geesteszieke. In zo’n geval zou het naderhand aan het licht komen,
maar dat ligt niet voor de hand. ‘Geestesziek’ is, zo krijgt hij te horen,
een soort van rusteloosheid.
Zo verstrijken de jaren.
Plotseling valt het hem op dat zijn moeder nooit meer huilt.
Hij weet niet wat er gebeurd is, maar het huilen is gestopt.
Eerst trekt hij de conclusie dat ze blij is en dat ze niet langer treurt
om haar eenzaamheid als weduwe. Daarna vermoedt hij dat het gewoon
opgedroogd is. Klaarblijkelijk is ze tot inzicht gekomen en
toen is het opgedroogd. Ze gaat op in haar werk. De school, en in haar
vrije tijd werkt ze voor Christus. Het eerste is ploeteren. Haar vrijetijdswerk
voor Christus, dat mag je wel aannemen, vervult haar
echter met licht.
O, U mijn licht.
Dat is het standpunt dat ze inneemt. Het kind is vol bewondering.
De afstand tussen het groene huis, waar ze wonen, en het schoolgebouw
bedraagt vijf kilometer. Geen tranen meer. Het is alsof ze
het heeft opgegeven en zich erbij heeft neergelegd.
In de winter als het bospad niet sneeuwvrij gehouden kan worden,
pakken ze de ski’s. Zijn moeder trekt een spoor, hij volgt. Dat is
normaal. Zij is immers de dorpsonderwijzeres. De school is een
school met twee klaslokalen. Vanaf het groene huis loopt er eerst een
zwakke helling omlaag, vervolgens steek je dan de beek over en dan
komt er een lang door de wind gegeseld gedeelte door de hooilanden
van Hugo Renström en daarna gaat het verder het bos door. De
school bedient twee dorpen en staat daarom tussen die twee in, dus
in het midden van het bos; iedereen heeft even ver te gaan, misschien
wel te ver, maar anderzijds, nu kan niemand jaloers zijn. Dit is rechtvaardig,
maar in de winter is het vlakke gedeelte door het bos bij tegenwind
wel heel erg lastig.
Over haar leven heeft ze echt niets te klagen.
Ze houdt geen dagboek meer bij.
Als hij na haar dood in de herfst van 1992 opruimt, vindt hij iets
dat op dagboeken lijkt, uit de eerste jaren na de kweekschool. Uit
deze merkwaardige aantekeningen in haar agenda kun je opmaken
dat ze voor haar huwelijk weliswaar een diepgelovig leven leidde,
maar om eerlijk te zijn, ook een heel vrolijk. ‘Feestje in Gamla Fahlmark’
of ‘Feestje in Lĺngviken’. Deze bekentenissen over feestjes houden bij haar verloving op, de datering is niet erg duidelijk.
Ze verzekert haar zoon bij herhaling dat ze tevreden is, en dat de
koek van de staat klein is maar wel zeker. Toch gaat ze tekeer over de salarissen
voor vrouwen, lonen die lager liggen dan die van haar mannelijke
collega’s (gelijke beloning werd in 1937 ingevoerd, maar ze is rancuneus)
en ze legt ook de nadruk op het belang voor iedere vrouw
om een eigen beroep te hebben, omdat ze altijd het risico loopt op
een dag weduwe te worden.
De gedachte aan echtscheiding komt niet bij haar op.
Haar politieke thuis is ongetwijfeld de liberale Folkparti.
Ze is een groot fan van partijleider Bertil Ohlin, die professor is.
Zeer kritisch merkt ze op dat Erlander, die alleen maar een kandidaats
heeft, een grote mond tegen Ohlin opzet. Ze zegt nooit dat de laatste
knap is (één keer ontvalt haar het woord ‘charmant’), maar het kind
heeft al gauw door dat er in haar bijna religieuze aanbidding van
deze Ohlin een onderstroming zit. Stevig onder druk gezet, geeft ze
vele jaren later toe dat zijn gestorven vader een sociaaldemocraat
was. Niet iets om je verder druk over te maken, zegt ze. Voor zijn
overlijden was hij immers ondanks alles verlost. Een nadere verklaring
blijft uit. Omdat hij in de zomer stuwadoor is en in de winter houthakker,
vindt ze het normaal dat hij voor de druk van de kameraden van
zijn stuwadoorsgroep is gezwicht. Ze laat doorschemeren dat ze hem nooit
voor zijn politieke thuis bekritiseerd heeft. Als haar zoon opgroeit
en vertelt dat hij ook sociaaldemocraat is, slaakt ze een diepe zucht
maar zegt, sarcastisch of humoristisch? dat kan hij niet van haar gezicht
aflezen, ja, daar zal je vader wel blij om zijn.
In elke klas waar ze lesgeeft, richt ze een zangkoor op. Altijd drie -
stemmig. Daarin vindt zíj haar thuis, in de zang dus. Haar toewijding
aan de Folkparti is meer van principiële aard, niet gevoelsmatig.
Zevenentachtig jaar oud en na drie kleine herseninfarcten wordt
ze in het donker tijdens hevige sneeuwval op de kustweg in zuidelijke
richting aangetroffen. Ze loopt op de voor haar karakteristieke
manier en heeft maar één gebreide want aan. Ze loopt gedecideerd
als was ze op weg naar Umeĺ of Sundsvall.
Het is kerstochtend zeven uur. Ze wordt staande gehouden en zegt
geďrriteerd dat ze op weg is naar de plaatselijke afdeling van de Folkparti
in Bureĺ, die nu haar jaarvergadering houdt en die ze onder geen
voorwaarde wil missen. Ze brengen haar terug, maar een standje krijgt
ze niet, want haar norse humeur is maar al te goed bekend en niemand
durft het aan haar tegen te spreken, zelfs nu nog niet.
Het is haar laatste, maar onafgemaakte, politieke daad. Ze leest
nog steeds de Norran, een ‘vrijzinnige’ regionale krant. Dus sociaal-liberaal.
Tot welke klasse behoren zij, zijn vader en hijzelf in feite?
Ergens in 1944 worden in de gemeente Bureĺ de schoolmaaltijden
ingevoerd, wat betekent dat de kinderen op school in de middagpauze
een gratis maal krijgen. Het eerste jaar is een proefjaar om uit
te vinden of het noodzakelijk is. Een economische analyse toont aan
dat alle kinderen in Hjoggböle recht op zo’n maaltijd hebben, met
uitzondering van twee die tot de klasse der geprivilegieerden behoren.
Het zijn de beide onderwijzeressen die de dupe zijn (‘hun salaris
is laag, maar zeker, enzovoort’), wat betekent dat hij en Thorvald,
het zoontje van kleuterleidster Ebba Hedman, geen eten krijgen. In
de pauze marcheren de leerlingen naar de provisorisch ingerichte
eetzaal op de bovenverdieping van de school, waar zijn tante Wilma
– die later betrokken zou worden in het gevecht om het verwisselde
kind, de geschiedenis van de verwisseling van de Enquists – lekkere,
voedzame vleessoep opschept.
De beide kinderen uit de betere kringen, Thorvald en hij, moeten
in de gang beneden op de grond hun boterham met magarine eten,
hij verafschuwt margarine, en moeten afgeroomde melk drinken.
Hij voelt zich met de vinger nagewezen, schaamt zich en kookt over
van verontwaardiging. Hij heeft het geluk dat hij aardig gevonden
wordt. De verzadigde kinderen stromen na het eten met een gelukzalige
glimlach langs de twee onderwijzeressenkinderen. Het versterkt
zijn kijk op de klassetegenstellingen in de maatschappij. Maar hij begrijpt
niet dat zijn gevoel, dat hij er eentje uit de lagere klassen is, op
een misverstand berust; hij behoort dus tot de betere kringen.
'Een ander leven blijkt meer dan een schrijversbiografie, maar ook meer dan een 'waar gebeurd' drama - dit is nu literatuur.(...) Maar nergens wordt het drama ervan dramatisch, nergens mikt het waar gebeurde verhaal op herkenning of medelijden. Toch is het uiterst aangrijpende, mischien omdat je deze man hebt leren kennen als iemand zonder mededogen voor zichzelf en met een grote beheersing van de taal, en niets is zo in tegenspraak met het verhaal van een alcoholist. En: zo in lijn ermee. Zo'n paradox maakt literatuur, dat maakt van een slachtoffer een hoofdpersoon, een mens, en gelukkig uiteindelijk weer: een schrijver.'
Vrij Nederland
'Openhartige autobiografie over een eenzame jeugd, drankverslaving en dramatisch toneeldebuut in New York.'
NRC Handelsblad
'Voordat Per Olov Enquist doorbrak met Het bezoek van de lijfarts was hij door een diep dal gegaan. In Een ander leven legt de Zweedse sterauteur getuigenis af. Van zijn jeugd, het gemis aan een vader, zijn alcoholisme. Gelukkig is Een ander leven geen belerende handleiding om af te kicken geworden. De passages over eerdere, mislukte, pogingen zijn ronduit ontroerend en dramatisch.'
Trouw
‘Een kathedraal van empathie.’
Dagens Nyheter
‘Een groots en memorabel werk. Zelden is
proza zo gerechtvaardigd als deze superieure
beschrijving van het leven van een van de
grootste Zweedse auteurs.’
Upsala Nya Tidning
‘Zeer indrukwekkend. Nauwgezet
en ingetogen, vloeiend enmuzikaal,
perfect in balans, ritmisch, diep
ernstigmaar ook grof humoristisch.
Een wervelende stroomgebeurtenissen,
maar de richting is duidelijk:
afdalen in de duisternis, naar binnen,
naar de kern.’
Expressen